Affichage des articles dont le libellé est Parque Nacional Perito Moreno. Afficher tous les articles
Affichage des articles dont le libellé est Parque Nacional Perito Moreno. Afficher tous les articles

jeudi 12 avril 2012

Buenos Aires, 6 april 2012

Om precies 19.30 uur staat de taxi klaar. Lucho en Nacho zeggen me gedag en ik bedank ze voor hun gastvrijheid en de lol die we hebben gehad. “Ciao los amigos, suerte”, en ik stap in de wagen. Uit de speakers in de auto klinken trieste tonen, alsof ik op weg ben naar een begrafenis in plaats van naar het vliegveld. Mijn reis in Argentinië zit erop.

Ik hoop dat de chauffeur zijn cassette verwisselt voor iets gezelligers, maar hij is blijkbaar in een melancholische bui, of misschien houdt hij gewoon van dit soort trieste klassieke muziek. Tijdens de vijftig minuten durende rit word ik dan ook overvallen door mijn slaapgebrek van de afgelopen dagen. In Buenos Aires gaat het leven dag en nacht door, Porteño’s lijken gemaakt voor het nachtleven - ofwel zij maken van iedere nacht een feest.

Vanmiddag zat ik nog in het Campo Argentino de Polo, volgens de Porteños het beste poloveld ter wereld, om een wedstrijd bij te wonen. En vanmorgen had ik mijn laatste tangoles terwijl ik gisteravond tot in de late uurtjes nog in Club Villa Malcolm aan het dansen was…. De hele week die ik in Buenos Aires heb doorgebracht voltrok zich op deze wijze: in een sneltreinvaart tussen tango, polo en site-seeing.

Eigenlijk zou ik aan het einde van mijn reis maar twee dagen in Buenos Aires doorbrengen, maar drie weken Patagonië bleek uiteindelijk iets te veel voor een Parijse gaucha en daarom besloot ik een paar dagen eerder terug te gaan naar de ‘geciviliseerde’ wereld.



Patagonië is in alle opzichten enorm. Het landschap is zo uitgestrekt dat je het idee hebt je in een panorama te bevinden. Iedere estancia bezit meerdere duizenden hectares grond waarop kuddes schapen, koeien en paarden rond grazen en Patagonische gaucho’s (boerenknechten – zij werken voor groot grondbezitters die veelal in Buenos Aires wonen omdat Patagonië hun te bar is om te wonen) een solitair bestaan leiden.

Patagonië is guur, de wind waait zo hard dat je af en toe niet weet hoe je overeind moet blijven staan. Het is er koud en droog en ontzettend stoffig door de ontbrekende regen. Alleen lage struiken zijn opgewassen tegen dit barre klimaat, wat voor een steppelandschap zorgt dat begrensd wordt door het Andesgebergte.

Op de Patagonische steppe leven lama’s (guanaco’s), struisvogels (nandoe’s), vossen (ferrets), hazen (mara’s), gordeldieren (armadillo’s) en poema’s, terwijl in de lucht, dicht bij het Andesgebergte arenden en condors zweven en in de meren en plassen van de beschermde natuurreservaten flamingo’s, wilde zwanen en ganzen rustig in het water vertoeven. Te paard over deze steppe is als een eindeloze safari.



Ik dacht dat Patagonië de perfecte plek was om ‘uit te waaien’ en frisse ideeën op te doen. Dat was het in zekere zin ook: ik heb bijzondere ervaringen opgedaan door te helpen bij het bijeendrijven van kuddes schapen en wilde paarden (zeven man en zes uur waren er nodig om zeven wilden paarden bijeen te drijven in een paddock – twee dag en later werden ze naar de slager afgevoerd).

Ik heb geholpen bij het scheiden van honderden koeien en kalfjes, die gebrandmerkt en ingeënt moesten worden waarna de gaucho’s een rodeo organiseerden (erg zielig hoe zij op de kalveren te keer gingen). Verschillende dagen heb ik te paard met gaucho Alberto van de estancia bij Gobernador Gregores over de steppe rondgezworven in de hoop een poema te vinden, en gaucho Félix van het natuurpark Perito Moreno heeft mij de prachtigste plekken van het reservaat laten zien.



Tien dagen heb ik bij Félix in het park gelogeerd: in een gammel stapelbed in een smoezelige slaapkamer waar ik iedere ochtend met een bevroren neus wakker werd. Félix was dan al op en had het vuur in de fornuiskachel al aangestoken. Dan trok ik snel drie lagen kleren aan en ging ik naast hem zitten, bij het vuur waar een grote ketel water op stond. Hij was dan al zijn maté (Argentijnse thee) aan het drinken en ik maakte dan snel een kop oploskoffie en samen aten we dan een torta (typisch gaucho broodje, gefrituurd in schapenvet) met jam. Door het raam keek ik dan naar de zon die achter de bergen opkwam. Zo begon iedere dag. En iedere dag liet hij me te paard een andere, wonder schone plek van het park zien.



Dit was de mooie kant van het verhaal, de lelijke kant van het verhaal is dat de gringo (westerling in Zuid-Amerika) van de estancia bij wie ik mijn reis had geboekt (op aanraden van een vriendin van een vriendin…) en waar ik drie weken zou logeren, een ongelooflijke loser was. Een amateur die er niet op uit was zijn klant een prettig verblijf te bieden, maar mij zag als een potentieel avontuurtje. Bij aankomst werden mij zijn intenties meteen duidelijk en toen ik op dag twee duidelijk maakte dat ik gekomen was om paard te rijden en de gaucho’s bij te staan bij hun werk (hetgeen we overigens toen ik de reis boekte hadden kortgesloten), veranderde ik van een lust- in een lastobject. En dat heb ik geweten ook.

De laatste dag heeft hij me zelfs letterlijk de deur uitgezet toen ik een opmerking maakte over de twee nachten die ik met hem en zijn gaucho’s in zijn tweede estancia had doorgebracht.



We waren daar om een groep paarden bijeen te drijven omdat de veulens geteld moesten worden. Het werk was prachtig, maar het verblijf klopte niet. Geen elektriciteit; geen drinkwater; behalve in de keuken, geen stromend water; stoffige kamers met ramen die niet open konden; gammele bedden waarop vieze matrassen vol gaten waaruit stinkende schapenwol puilde en kussens met bloedvlekken lagen; geen bruikbare wc’s en ook geen pleepapier. Het eten bestond uit heerlijk schapenvlees en verder pasta en blikvoer.

Prima, daar ga ik niet dood aan, maar ik betaalde voor ‘een verblijf in een comfortabele kamer met complete vegetarische maaltijden’ (ook vooraf afgesproken). Ik had al tien dagen in primitieve omstandigheden bij Felix gelogeerd, dit ging mij te ver. Het voelde alsof ik goed werd afgezet. Toen ik daar bij terugkomst op de estancia een opmerking over maakte, werd de gringo woedend en trakteerde hij me op een twintig minuten durende tirade. Ik zou een verwend nest zijn dat alleen maar kon zeuren. Gedurende mijn hele verblijf had ik het hem – en alle anderen op de estancia - moeilijk gemaakt. Ik verpeste de sfeer (waar had ik dat eerder gehoord…).

De maat was vol, hij zette me de deur uit. Ik kon nog net m’n tas pakken en snel onder de douche springen (had me immers drie dagen niet kunnen wassen). In het huisje van gaucho Alberto en Ronaldo kon ik wachten op de taxi die me naar de stad 50 kilometer verderop zou brengen waar ik de nachtbus naar Rio Gallegos nam omdat mijn vliegtuig naar Buenos Aires daar de volgende ochtend zou vertrekken. Ze schonken me een glas whisky in en stelden me gerust: “El gringo esta un cabron”, een miserabel type, een gierigaard, een ellendeling… “Op deze estancia kom je maar één keer, daarna zet iedereen er een vette streep door”.



Zo was mijn reis als Patagonië zelf: woest en ruig, maar ook groots en prachtig. Het was als een panorama vol zuivere kleuren, maar het was ook een drie weken durende storm waarin ik mij staande moest houden. Nu is het tijd om alles in me te laten bezinken en bepaalde knopen veroorzaakt door de wind te ontrafelen, en ook om ondanks alles heerlijk na te genieten!